Medemblik Actueel.

Column Nadine Swagerman – pechdag

Medemblik – Gisteren had ik mijn dag niet. Echt niet. ’s Morgens gleed ik van de trap en gooide ik koffie over mijn schoot. En toen ik mijn ontbijt had gemaakt, liet ik het bakje met havermout op de grond vallen. Ik besloot niets te ondernemen die dag. Gewoon helemaal niets. Voor de zekerheid. Dus plofte ik neer op de bank met het nieuwste boek van Judith Visser, één van mijn grote voorbeelden op schrijfgebied. Was ik maar half zo goed als zij.

Met tranen in mijn ogen las ik het verhaal over Annabel, een vrouw die te horen heeft gekregen dat ze ongeneeslijk ziek is. Het personage Annabel is losjes gebaseerd op de moeder van de schrijfster zelf, wat het verhaal nog aangrijpender maakt.

“Ik zou het haar nooit meer kunnen vragen. Niets meer. En dat was ondenkbaar. Dat kon niet. Ze mocht niet gaan. Hoe kon de wereld bestaan zonder haar? Hoe kon ík bestaan?”

De zinnen braken mijn hart en ik probeerde de brok in mijn keel weg te slikken. Door mijn tranen heen las ik de laatste pagina’s.

Het geluid van de deurbel, dat onaangenaam hard door de kamer schalde, trok me weg uit de wereld van Annabel, waar ik nog even was blijven rondhangen. Ik pakte het dichtgeslagen boek van mijn schoot en stond op om door het raam te kijken. Er stond een onbekende vrouw voor de deur en net toen ik besloot niet open te willen doen, ving haar blik die van mij. Shit. Ik liep richting de gang en stootte mijn kleine teen keihard tegen de deurpost. Ik voelde een steek in mijn verkrampte teentje, wilde vloeken, maar schudde toen lachend mijn hoofd.

‘Goedemiddag, ik…’ de vrouw staakte haar zin en keek me geschrokken aan. ‘Sorry, ik wilde u niet storen.’

Toen pas realiseerde ik me dat mijn verschijning vreemd moest overkomen. Want daar stond ik, in mijn joggingbroek en veel te grote trui, met de zwarte sporen van mascara over mijn wangen, en een glimlach op mijn gezicht.

De vrouw schraapte haar keel. ‘Ik kom wel een andere keer terug. Is maandag oké?’

‘Nee, het kan nu wel,’ hoorde ik mezelf zeggen. Ik veegde met mijn mouw over mijn wangen.

‘Weet u het zeker?’

Ik knikte.

‘Oké…’ ze keek naar het mapje in haar handen. ‘Zoals u in de brief van de gemeente kon lezen, kom ik u informeren over afvalscheiding.’ Ze keek me aan, ‘mag ik anders even binnenkomen?’

Ik had geen zin in mensen. En al helemaal geen behoefte aan een gesprek over afvalscheiding. Ik dacht aan Annabel. En aan de mensen die ik zelf verloren heb. Toch liet ik de afvalexpert binnen. Ze volgde mij de woonkamer in en nam plaats aan tafel. ‘Wat een prachtig boek is dit, hè.’ Ze tikte met haar wijsvinger op de kaft.

Ik knikte, ‘het is zeker prachtig.’

‘Heeft u hem al uit?’ ze keek me vragend aan.

‘Ja, net, vandaar dit hoofd,’ zei ik wijzend naar mijn gezicht. Ik lachte beschaamd.

‘Aha,’ ze glimlachte, ‘het is ook wel echt een aangrijpend verhaal.’

Ik knikte. Niet eerder heb ik een boek gelezen dat me zo diep heeft geraakt als In seizoenen’. Een verhaal dat zo doortastend, zo verschrikkelijk hartverscheurend, en tegelijkertijd zo ontzettend mooi is.

Het leven is kostbaar, mooi en soms veel te kort. Dus leef, geniet en lach. Zelfs als het een pechdag is. Of misschien juist als het een pechdag is.

Judith Visser, ik buig voor je.

Reageren via facebook