Medemblik Actueel.

Alleen voor Joden
Alleen voor Joden
Algemeen Ben van Althuis

Column Ben van Althuis – Alleen voor Joden

Het is al bijna zestig jaar geleden, maar toch moet ik er nog ieder jaar aan denken. Het peinzende gezicht van mijn grootmoeder toen ik als 10-jarige jongetje bij haar voor het raam zat en vroeg: ‘Oma, was dit altijd al een speeltuin?’ Mijn grootouders woonden op de derde etage van een flat recht tegenover een puntig hek dat toegang gaf tot een groot speelplein aan de Gaaspstraat in Amsterdam. Het duurde even voor ze antwoord gaf. ‘Ja,’ zei ze, ‘maar je kon er niet altijd spelen.’ Verbaasd keek ik haar aan. Haar gezicht stond strak. ‘Weet je wat voor dag het is?’ vroeg ze plotseling. Ik haalde mijn schouders op. ‘Vier mei,’ beantwoordde ze haar eigen vraag. ‘De dag dat we de doden uit de oorlog herdenken.’ ‘De soldaten?’ vroeg ik. ‘Nee, niet alleen de soldaten. Ook alle andere mensen die vermoord zijn.’ Er welde een traan in haar ogen toen ze zich omdraaide en naar de keuken liep. Het verband met de speeltuin werd mij pas veel later duidelijk.

In de Rivierenbuurt in Amsterdam-Zuid woonden begin jaren veertig zo’n 17.000 Joden. Grotendeels gevluchte Joden die aan het naziregime in Duitsland waren ontkomen en hier een veilig heenkomen hoopten te vinden. Al snel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleek dit ijdele hoop. De Duitse bezetters voerden ook hier allerlei Joodse maatregelen in. Een van die maatregelen was het instellen van Joodse Markten. Markten die uitsluitend door Joden bezocht mochten worden. De speeltuin aan Gaaspstraat was een van de vier locaties in Amsterdam die hiervoor werden gevorderd. Openbare winkels waren voor Joden verboden. Het was uit met het spelen in de speeltuin. Van 3 november 1941 tot 14 augustus 1943 werd de speeltuin een Markt voor Joden. Verboden terrein voor andere buurtbewoners. Na die periode was er nagenoeg niemand meer die de markt bezocht; de meeste deportaties waren een feit. Van de 17.000 joden uit de Amsterdamse Rivierenbuurt overleefden slechts 4.000 de oorlog.

Ook pas later heb ik mijn oma’s tranen begrepen. Mijn grootouders waren, met vele anderen, meerdere malen getuige hoe Duitse soldaten hun overvalwagens strategisch voor het puntige hek aan de overkant opstelden, het complete marktbezoek bijeendreven en mannen, vrouwen en kinderen hardhandig dwongen in vrachtwagens te klimmen. Niet zelden vielen er schoten omdat wanhopige Joodse mensen alsnog probeerden weg te komen. Vaak moesten zij dat met de dood bekopen. Mijn oma moet elke razzia jaarlijks weer als een film aan haar voorbij hebben zien gaan. Beelden van mensen uit de buurt die ze kende. Mensen die ze tegenkwam bij de bakker, de slager, de groenteman. Ook de bakker zelf. Nooit zou zij ze meer terugzien.

Ik ben pas twee jaar na de oorlog geboren, maar toch denk ik vaak hoe het zou zijn als ik de verdrevene zou zijn geweest. Als ik in een van de vrachtwagens zou zijn gedreven. Geslagen, uitgehongerd en vernederd. Als ik mijn vrouw en kinderen uitgemergeld en ziek zou hebben zien sterven en uiteindelijk zelf zou zijn vermoord. Dan ziet het even zwart voor mijn ogen en realiseer ik mij dat overal in de wereld zich dit soort afschuwelijkheden nog altijd afspelen. Dan zie ik de beelden van wanhoop en ellende voor me. Een stervend kind in de armen van vader of moeder. Wat is het verschil met die speeltuin aan de Gaaspstraat in Amsterdam-Zuid, 70 jaar geleden. Mensen verwoesten nog altijd elkaars leven. Daar wil ik ieder jaar opnieuw aan denken. Dat wil ik ieder jaar opnieuw voelen. Net als mijn grootmoeder, daar aan de andere kant van dat puntige hek.

Ben van Althuis

Reageer op dit onderwerp