Medemblik Actueel.

Ben van Althuis

Column Ben van Althuis – Guldetje de gladiole!!!

Begin twintig was ik, en vertegenwoordiger. Salesmanager heet dat tegenwoordig. Mooi woord, maar het betekende niet meer dan iedere morgen in een auto stappen, het halve land doorrijden en maar hopen dat winkeliers, die onze producten verkochten, weer nieuwe voorraad nodig hadden. Eigenlijk niets voor mij. Ik was veel te wispelturig. Zo’n dagelijks patroon lag me niet.

We woonden, pasgetrouwd en met ons eerste kind, op een halve woning in het hart van Amsterdam. Oud, maar gezellig. Als je jong bent stel je weinig eisen. Kon ook niet want er was nauwelijks woonruimte te vinden. Beneden ons woonde een ander jong stel waar we regelmatig mee optrokken. Hij heette Frans en zat in de bloemen. Hij stond op markten en had – in mijn ogen – de vrijheid van een vis. ’s Morgens naar de veiling een handeltje kopen en voor de rest van de dag de vrouwen uit de buurt met een leuke babbel overhalen zijn bloemen bij hun thuis op tafel te zetten. Tegen betaling natuurlijk.

Iedere zaterdagavond kwam hij met een arm vol kleur naar huis. Mijn vrouw jaloers en ik eigenlijk ook wel een beetje. Niet op de uitbundige bloemenpracht, maar op het vrije leven. Geen baas en zelf je dag inrichten. Alles kon en niets moest, als ik zijn verhalen mocht geloven. Ik weet niet meer wat precies de aanleiding was, maar op een gezellige avond – onder het genot van een flinke slok – bracht ik ineens naar voren dat ik ook wel interesse had in zo’n leven. Frans beloofde me de kneepjes van het vak bij te brengen, waarop de avond nog gezelliger werd.

Misschien wel té gezellig, want al spoedig merkte ik dat het niet allemaal vanzelf kwam. De eerste weken maakte hij mij wegwijs op de veiling. De Amsterdamse markthallen en Aalsmeer werden bekend terrein, maar het op de klok inkopen bleek in het begin niet eenvoudig. Regelmatig hoorde ik om mij heen gegniffel als ik weer eens te snel op de knop drukte en dus een te hoge prijs betaalde. Ook aan de babbel op markten moest ik wennen. Het is als marktkoopman de bedoeling brutaliteit en overwicht uit te stralen, maar op een markt midden in de Amsterdamse Jordaan duurt het wel even voor je bijdehanter wordt dan de dames uit de buurt.

Een andere tegenvaller was het krijgen van een vergunning. Om in Amsterdam in aanmerking te komen voor een markt- of standplaats moest je geruime tijd op een wachtlijst plaatsnemen. Er was meer vraag dan aanbod. Tot die tijd bleef er dus maar één mogelijkheid over. Venten! Met een bus vol handel midden in een straat met Amsterdamse flats gaan staan en hopen dat iedereen je in de gaten kreeg en naar beneden wilde komen. Ik had van m’n schoonmoeder een grote koperen bel gekregen. Dat hielp zei ze. Maar ze had het wel vaker mis.

Die eerste keer vergeet ik nooit. Daar stond ik. Mooie oranje Volkswagen-bus vol verse bloemen, prachtig weer en de bel van m’n schoonmoeder in m’n hand. Frans zat een stukje verder in zijn auto toe te kijken hoe het zou gaan. Ik rammelde een aantal maal met de bel en keek omhoog. Er gebeurde niets. Opnieuw bellen, maar ook nu geen enkele reactie. De moed zonk me in de schoenen. Nog maar een keer dus; weer niets en niemand.

Plotseling stond Frans achter me. “Wat ben je aan het doen?” vroeg-ie cynisch. ‘Bellen…, dat zie je toch,’ antwoordde ik geïrriteerd. “Ja, zo verkoop je nooit wat,” kiftte hij terug en pakte de bel uit m’n handen. Hij ging vlak voor de bus staan, schudde het onding nogmaals en schreeuwde met meer dan 120 decibel: ‘Guldetje de gladiole!!!’ En nogmaals: ‘Guldetje de gladiole!!!  Gladiole één guldetje maarrr!!!’ Taal-technisch misschien niet honderd procent, maar wel effectief. Binnen enkele tellen schoven de gordijnen voor veel flatramen opzij en een paar minuten later stonden er meer dan vijftien luid kwetterende dames voor mijn handelswaar. ‘Kijk,’ zei Frans met een gluiperig lachje. ‘Zo doe je dat, als je tenminste vanavond niet al je bloemen zelf thuis op tafel wil zetten.’ Hij stapte in z’n auto en reed weg.

Het viel toch nog even niet mee om zo’n keel op te zetten, maar drie straten verder was ik over m’n gêne heen en brulde als een volleerd koopman. Toen ik ’s middags naar huis ging was ik ‘los’. Eenmaal later aan de beurt voor een standplaats heb ik nooit meer gevent, maar het echte vak heb ik toch van Frans geleerd.

Ben van Althuis
(www.benvanalthuis.nl)

Reageer op dit onderwerp