Gelukzoekers in Medemblik?

Wanneer ik mijn opinie deel, dan dient de titel te prikkelen, heb ik geleerd.
Ik schat in dat een groep lezers nu denkt: “gelukzoekers? Wat een rotterm!” En een andere groep die mogelijk denkt: “eindelijk iemand die ook die uitbuiters in Medemblik niet wil.” De laatste groep ga ik teleurstellen, vrees ik en toch zouden juist deze mensen door mogen lezen. Omdat feiten en waarnemingen meningen kunnen bijstellen.

Tekst: Patrick Odendaal

Patrick Odendaal
Patrick Odendaal

Ik las iemand die in een commentaar op Facebook over het plan van de PVDA om tijdelijke opvang van vluchtelingen in Medemblik mogelijk te maken, schreef over het verschil tussen vluchtelingen en gelukzoekers. Nou, zover ik weet is daar geen enkel verschil in te ontdekken.

Feitelijk ben ik ook een gelukzoeker die in Medemblik een prachtige vrouw tegen kwam en daar is blijven hangen. Sedertdien buit ik de voorzieningen uit in Medemblik. Ik werk als zelfstandige en betaal belastingen, maar feitelijk ben ik ook maar een ongenode gast. Ik merk dat nog jaarlijks als ik na 8 jaar nog steeds met een vreemd oog kijk naar de Harddraverij.

Vluchtelingen zijn ook gelukzoekers. Wie heeft de term gelukzoeker ooit bedacht? Als ik me niet vergis duidt een gelukzoeker volgens de impliciete betekenis iemand aan die hier in ons kikkerlandje meer geld wil verdienen. Alsof Nederland financieel zo’n paradijs is, maar goed. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik betaal me scheel aan belastingen en dergelijke en ik hou maar een schijntje van mijn omzet over voor mezelf. Ik klaag niet hoor. Dat hoort erbij. Maar om nu hier heen te komen om rijk te worden…. Nee.

Stel je voor, jouw plek waar je geboren bent. Stel je nu eens voor dat je die plek gaat verlaten. Doe je niet zo makkelijk he? Dan heb je heel goede redenen nodig toch?

Vluchtelingen zoeken veiligheid, weg van oorlog, racisme, vervolging en haat. Zij zoeken geluk. Veiligheid is een belangrijke voorwaarde voor een geluksgevoel tenslotte.

Gelukzoekers kwam ik heel veel tegen. Mensen die voor zichzelf een beetje geluk, veiligheid en een toekomst voor hun kinderen zochten. Veel daarvan waren asielzoekers die hoopten op de titel vluchteling, zodat ze mochten blijven. De titel die zo mooi omschreven staat in artikel 1 van de conventie van Geneve.

Ik heb 7 jaar gewerkt bij het Centraal Orgaan voor de Opvang van Asielzoekers. Ik werkte een groot deel daarvan in een OC (Opvangcentrum). Dat was de locatie waar asielzoekers als eerste naar toe gingen na aanmelding.

Duizenden mensen heb ik zo binnen zien komen. Vaak totaal ontredderd, enkele boodschappentassen met wat resteerde van hun spullen. Mannen vaak dagenlang niet geschoren, vrouwen die schichtig om zich heen keken en kinderen met grote ogen van angst. Natuurlijk gold dat niet voor iedereen, maar als ik een algemeen beeld mag schetsen, dan klopt dat aardig.

De ironie is dat een aantal van de locaties van het COA voormalige defensielocaties waren. Ik werkte eerst op OC Schalkhaar, waar voorheen 10 jonge jongens op een kamer sliepen in een omgeving waar ze klaargestoomd werden om hun land te verdedigen. Nu werden 10 gezinnen in zo’n zelfde kamer geplaatst. De enige privacy die er was, bestond uit kamerschermen; die witte, die u mogelijk nog kent van de huisartspraktijk.

In een groot gebouw met enkele bijgebouwen huisden zo 800 asielzoekers met tegen de 90 nationaliteiten. Bij het plaatsen moesten we soms uitkijken dat we asielzoekers uit landen die in oorlog met elkaar waren niet bij elkaar plaatsten. Zoveel mensen die uit vreselijke situaties kwamen zaten daar op elkaar gepakt. Wanneer ze dan ook nog eens de vijand tegenkwamen dat kon dat het vlammetje zijn dat het kruit deed aansteken.

Ik heb ook gewerkt op OC Deelen. Dat was een complex dat nog door Adolf Hitlers mannen (!) is neergezet. Muren van 60 centimeter dik met stalen luiken waar mortiergranaten niet doorheen konden. In diezelfde gebouwen sliepen nu asielzoekers uit allerlei landen. Hitler zou zich omdraaien in zijn graf, vermoed ik. Ik vroeg me telkens af hoe dat zou zijn, als je oorlog wilt ontvluchten en je terecht komt in een locatie waar de oorlog leefde en woonde.

Mensen die daar 6 maanden tot een jaar moesten verblijven zaten in de meest vreselijke situatie: weg van huis en haard, op weg naar veiligheid en wat ze vonden was onzekerheid en frustratie. De IND deed erg lang over het besluit of iemand wel of niet mocht blijven. Mensen mochten er werken voor ongeveer een kwartje per uur. Mensen wilden niets liever dan dat, want dat hield ze bezig. Zelfs toiletten schoonmaken (ik kan je garanderen dat dat daar geen pretje was) was populair.

Ik heb eens meegemaakt dat er een chirurg uit Iran aangaf dat hij graag wilde werken; alles wilde doen. Hij vroeg alleen om een klus waarbij zijn handen geen overmatig risico liepen. Hij wilde graag op termijn weer kunnen opereren namelijk. Hij bleef hopen op een normaal leven!

Frustraties liepen soms zo hoog op, dat een vader een keer zijn kind zo op de tafel gooide en zei: “ik weet het niet meer, zoeken jullie het maar uit.” Hoe zwaar moet het zijn dat je zover komt dat je zoiets doet en zegt!? Deze gelukzoeker had nog lang niet gevonden, zeg maar.

Wanneer het lunch- of dinertijd was, ontstond er een lange rij voor de kantine. Iedereen had zijn eigen bestek en borden mee (die kregen ze bij binnenkomst op de locatie). Bij die rij stonden altijd minimaal 2 opvangmedewerkers. Ik was er ook zo een. Met portofoon. Dat was hard nodig, want de locatie was groot en bij een calamiteit moesten we snel kunnen reageren. In die rij wakkerde de frustratie vaak aan tot een hoogtepunt en regelmatig kwamen er relletjes voor en moesten we ingrijpen. Huis en haard verlaten en dan met een bordje in de rij staan voor het eten. Dat was voor sommigen teveel.

Ik hoorde verhalen van mensen. Vrouwen die meermaals verkracht waren en op het nippertje hun vege lijf konden redden. Alleenstaande minderjarige asielzoekers die hun land ontvluchtten en onderweg soms hun familie kwijtraakten. Soms voorgoed, soms werden familieleden teruggevonden. Families die zich gelukkig prijsden dat ze nog bij elkaar waren, ook al hadden ze hun moederland verlaten, hun gewoonten en dat ze zich afvroegen hoe ze zich toch zouden moeten gaan redden in dit totaal vreemde land met wel heel rare gebruiken.

Ik heb ook heerlijk gegeten. Bij sommige gelegenheden kookten asielzoekers voor ons hun eigen eten en mochten wij als begeleiders proeven van hun kookkunsten.

Want ook daar, op die nare plek met al die mensen met hun ellende, probeerden mensen “er iets van te maken.” Menselijkheid en compassie was ook daar te vinden. Het enige wat de tijdelijke bewoners van die opvangcentra tenslotte zochten, was een klein beetje geluk.

Als nu Medemblik net als alle andere gemeenten een groep van die gelukzoekers opvangt, dan is het enige wat het ons kost; geld. Wat we ervoor kopen is dat we mensen tijdelijk veiligheid bieden en een warm welkom. Hoe lang geleden zou het zijn dat die gelukzoekers dat hebben gevoeld?