Medemblik Actueel.

Algemeen Ouden Doosch

Den Ouden Doosch – Voormalig rijks krankzinnigengesticht Landswerf Medemblik

Den Ouden Doosch - Voormalig rijks krankzinnigengesticht Landswerf Medemblik

Den Ouden Doosch – Voormalig rijks krankzinnigengesticht Landswerf Medemblik

Medemblik – Wij hebben uit de zeer diepe kelder van onze redactie een prachtige tekst uit 1866 weten te toveren. Het gaat over de staatsbegroting waarin oa het krankzinnigen gesticht centraal staat.Het sobere neoclassicistische gebouw verrees einde achttiende eeuw.

Het hoofdgebouw diende als hoofdgebouw van de Westerhaven. In 1827 werd het pand verbouwd en kreeg het de functie van Koninklijk Instituut voor de Marine. Vanaf 1884 kwam het gebouw in gebruik als Rijks Krankzinnigengesticht. P.J.H. Cuypers gaf advies over de verbouwing ten behoeve van de aanleg van verwarming en verlichting en de uitbreiding met bijgebouwen. 

 

21STE ZITTING. — 18 NOVEMBER.

2. Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1866. (Beraadslaging over hoofdstuk IV A.)

ben niet bevoegd daarover te oordeelen. Maar wanneer men tegen de vestiging van het gesticht (.o Medemblik <Je ongezondheid van die plaats aanvoert, dan mag ik toch wel vragen: zijn hel cellulair gesticht te Amsterdam gevestigd, de cellulaire gevangenis onlangs te Goes gebouwd, de cellulaire gevangenis die men te Kotter-dam wil stichten, dan gevestigd op plaatsen die een deskundige Toor gezonder zal verklaren dan het zeestadje Medemblik ? De beslissing laat ik aan de Kamer over. Het tweede argument van den geachten afgevaardigde uit Leeuwarden WMS, dat Medemblik niet zeer gelegen zou zy’n. Het heeft my verwonderd dat argument te hooren uit den mond van dien geachten afjgevaardigde, en ik vraag hem : ligt Leeuwarden dan digter by het middenpunt des Rijks dan Medemblik? Wanneer de geachte spreker de moeijclijkheid van het transport in aanmer-king neemt, dan drukt het dubbel op Leeuwarden. Ik heb de tegenbedenkingen eenigermate, zoo ik meen , opgelost. En nu kom ik nog met een enkel woord op de moiiven , die voor de vestiging van dat tuchthuis te Medemblik kunnen aangevoerd worden. In de eerste plaats mag ik daarbij wel wijzen op de woorden, die de Regering in hare Memorie van Toelichting heeft gebezigd: » Dit zou geschieden , op grond dat het tuchthuis to Leeuwarden zeer veel te wenschen overlaat en bezwaarlijk naar eisch te veranderen is; terwijl de gebouwen te Medemblik eene genoegzame ruimte aanbieden voor het behoorlijk plaatsen van de gansene bevolking van het tuchthuis , en wel met nachtelijke afzon-dering in ijzeren alcoves, luchtige eetzalen en werkzalen , eengroot schoollocaal, tevens kerk” enz. Dit zijn de motiven, die den Minister van Justitie bewogen hebben het oog te vestigen op Medemblik. Wanneer men daarbij de gunstige ligging dor gebouwen te Medem-blik in aanmerking neemt, dat moet men volmondig erkennen dat de Minister van Justitie juist gezien heeft en goed handelt om thans van die gebouwen een gebruik te maken, dat reeds eenige jaren ten nadeele van den Staat niet heeft plaats gehad. Hot is toch in het belang van den Staat, dat van die gebouwen gebruik worde gemaakt en wel spoedig, want ieder jaar dwingt en dringt, ieder jaar brengt die gebouwen nader tot den beitel en hamer van den slooper. Eu wanneer eens die gebouwen ge-sloopt moesten worden, hetgeen ik wensch dat verhoed worde, dan zal men het zich misschien te laat beklagen een zoo belangrijk kapitaal voor geringe vergoeding te moeten wegdoen, en dan zullen tegenover de weinige duizenden guldens, die het gebouw, voor at-braak verkocht, zal opbrengen, eenige tonnen gouds staan, die men zal behoeven om een ander gesticht te Louwen. Ik eindig, Mijnheer de Voorzitter, met hetgeen waarmede ik begon. Ik verklaar nogmaals met genoegen het plan gezien te hebben om gebruik te maken van de gebouwen te Medemblik en daardoor aan die stad de sekude te herstellen, die aan Medemblik berokkend is. In het begin dezer eeuw werd aan Medemblik de landswerf ontnomen. Dit was eene groote ramp voor die stad. Maar de gevolgen van die ramp drukken nog op die stad. Maandelijks wordt het aan Medemblik herinnerd dat het die schoone inrigting verloren heeft, wanneer er sprake is van de toepassing der armen-wet. Zij is thans nog gehouden de voordeelen, die aan de voor-vaderen zijn geschonken, te moeten betalen met restitutie van onderstand aan andere gemeenten. Ik keur het plan van den Minister volkomen goed on hoop dat hy in de gelegenheid zal zijn het spoedig in uitvoering te brengen.

De heer ©odeffrol: Mijnheer de Voorzitter, je ne décide pas entre Home et Carthage. Ik stel mij geeno partij in het proces van Leeuwarden contra Medemblik, waarin nu ook ‘sHertogenbosch geïntervenieerd is. Ik bevind mij in eene gelukkige positie ; ik ben afgevaardigd uit een kiesdistrict dat in het genot is van twee gevangenissen. Ik zal mij tot eenige opmerkingen bepalen. Gisteren eindigde de heer Dirks zijne rede met een verwijt tot den Minister van Justitie, als zou het plan van opheffing der straf-gevangenis to Leeuwarden en van verplaatsing der crimineel ver-oordeelde mannen naar Modomblik het gevolg zyn van overdreven philanthropie. Even als die geachte afgevaardigde ben ik een tegen-stander van overdreven philanthropie; maar het verwijt tot don Minister gerigt is onverdiend, en ik geloof dat men den geachten afgevaardigde uit Leeuwarden met meer regt verwijten kan , dat hy in deze zaak zondigt door een te sterk optimisme. Tot nog is door hen, die er over te oordeelen hadden, do straf-gevangenis te Leeuwarden beschouwd als eene der ongezonde ge-yangenissen, zoo niet de ongezondste, van ons land. Er zijn redenen om dat oordeel voor juist te houden. De geachte afge-vaardigde heeft gewezen op gunstiger toestand in den laatslcn tijd. Ik ontken het niet; er kan een enkel jaar zijn waarin die toestand gunstiger is dan in een ander jaar; doch daaruit kan geen zekere gevolgtrekking worden afgeleid. Zoo is het waar dat byv. in 1864, volgens het verslag van den toestand der provincie Friesland in dat jaar, de sterfte in de gevangenis te Leeuwarden minder was dan vroeger; in 18G4 bedroeg die ruim 4’/i Pel* cent, tegen ruim 7 per cent in 1862 en nagenoeg 5 per cent in 1863. Zoo was ook het gemiddeld getal zieken in 1861 iets minder dan in de beide vorige jaren. Maar bij een enkel jaar moet men niet blijven. Om juist te oordeelen moet men den toestand nagaan over eene reeks van jaren. En daartoe geeft een allerbelangrijkst opstel van den heer Baert, voorkomende in hot Staatkundig en Staathuinhoudkundig Jaarboekje voor 1865, de gelegenheid. In dat opstel wordt een statistisch overzigt geleverd van den gezondheids-toestand in de strafgevangenis to Leeuwarden over het tijdvak van 1854—1863. Welke resultaten trekt nu de schrijver uit die statistiek? Ik zal zijne eigen woorden voorlezen: «Wanneer tien jaren lang jaarlijks gemiddeld van eene bevolking, voor 94 per cent bestaande uit mannen van 18—50 jaren, 5’;j per cent sterven, 57’/4 eens of meermalen zijn ziek geweest, en ‘/, der gezamenlijke verblijfdagen als ziektedagen zijn doorgebragt, dan is, niettegen-staande 3/s der gevangenen voor langer dan 5 jaren zijn veroor-deeld, het overtuigend bewijs geleverd, dat het verblijf in het snafgesticht te Leeuwarden een allerschadelijksten invloed op de gezondheid en het leven der bewoners uitoefent.” Mij dunkt de schrijver heeft volkomen gelijk. Hij gaat ook de oorzaak na van dien ongunstigen toestand, komt tot dezelfde conclusie waartoe de heer Luyb” n is gekomen, en voert cijfers aan ten bewijze dat die oorzaak meer aan de opeenhooping van gevangenen in eene betrekkelijk bepeikte ruimte dan aan de in-rigting der gebouwen moet worden toegeschreven. De Kamer zal zich herinneren dat toen de gevangenis te Woorden, onder het Ministerie van den heer van der Bruggen, bestemd is geworden tot eene gevangenis voor vrouwelijke veroordeelden, en daarmede gepaard ging het plan om in de strafgevangenis te Leeuwarden alle crimineel veroordeelde mannen van het Rijk te vereenigen, de gevangenis t<; Leeuwarden word vergroot met den aanbouw van een nieuwen vleugel. Men beeft gedacht door dien aanbouw plaats genoeg te zullen verkrijgen voor de toekomstige vermeerderde bevolking: het schijnt dat men zich heeft vergist, hetgeen te meer te bejammeren is, omdat die nieuwe vleugel omstreeks negentig duizend gulden heeft gekost. Ik zeide zoo even dat de schrijver van het opstel, door mij aangehaald, uit de ge-vangenis-statistiek aantoont, dat de toeneming der bevolking vooral oorzaak is geweest van den ongunstigen gezondheidstoestand in de strafgevangenis te Leeuwarden, en van de onevenredige verhou-ding der sterfte in dat gesticht tot die in andere gevangenissen. Opmerkelijk is in dat opzigt de vergelijking van de verhouding dor zieken tot de afwissolende bevolking in de gevangenis te Leeuwarden met die in de criminele gevangenis te Woerden. De uitkomst is van 1852—1857 ten gunste van Leeuwarden. » Sedert het tijdstip echter waarop hot besluit tot ontruiming der gevangenis te Woerden en tot vereeniging van alle crimineel veroordeelde mannen te Leeuwarden uitvoering verkreeg, is de verhouding tusschen de beide gevangenissen omgekeerd; naar mate de bevolking te Leeuwarden toeneemt, woidt het cijfer der zieken betrekkelijk grooter en klimt het tot een hooger standpunt dan zelfs vroeger te Woerden was bereikt.” De schrijver staaft dit vervolgens met cijfers, waarmede ik de Kamer niet wil veimoeyen. Ik meen dat het voldoende blijkt, dat de heer Dirks den toestand van de straf-gevungenis te Leeuwarden veel te gunstig heeft voorgesteld. Maar dit aannemende, te gelijker tijd lettende op de oorzaak van den on-gunstigen toestand, doe ik de vraag, die ook in de beschouwingen van den heer Luyben begrepen was. Ik vraag dan: ligt in die oorzaak de onvermijdelijke noodzakelijkheid om Leeuwaï den geheel te ontruimen ? Het spreekt van zelf dat de uitvoering van het plan vanden Minister, ontruiming van Leeuwarden, inrigting van de gebouwen te Medem-blik tot nieuwe strafgevangenis , met niet onaanzienlijke kosten zal gepaard gaan. Is er nu volstrekte noodzakelijkheid om die nieuwe uitgaaf te doen, om de belangryke kosten, aan de gevangenis te Leeuwarden in de laatste jaren besteed, en die met inbegrip van den aanbouw van den nieuwen vlougel zeker een ton gouds zullen overschrijden, geheel te loor te laten gaan? Ik beslis niet, ik wensch alleen mijne bedenkingen aan de overweging van den Mi-nister te onderwerpen. Ik beslis evenmin, wat er is van het on-gezonde of gezonde der ligging van Medemblik. Ik zou alleen meenen dat uit de ongezonde ligging eener gevangenis niet in elk opzigt en altyd beslissende gevolgtrekking kan worden afgeleid omtrent den vermoedelijken gezondheidstoestand der gevangenen. In dit opzigt is inderdaad opmerkelijk het feit door den schrijver van het aan-gehaalde opstel medegedeeld, dat terwijl het tuchthuis te Leeu-warden ontegenzeggelijk eene gunstige ligging heeft, ineen open, luchtig gedeelte der stad, het huis van verzekering te Middelburg

 

Reageren via facebook